Jan 302012
Poster_kleur (2)

Voor het volgende collegejaar is de SOG weer op zoek naar enthousiastelingen die zich een jaar lang willen inzetten voor de studenten. Studenten die graag inspraak willen hebben in wat er in en rond de universiteit omgaat. En bovenal mensen die willen opkomen voor de belangen van studenten en het hoger onderwijs. Spreekt dit jou aan? Dan zijn we op zoek naar jou! De functie kost je 20-40 uur per week (in overleg) en betaalt een jaar lang ongeveer 300 euro per maand. Daarnaast biedt de RUG je faciliteiten aan, zoals een werkplek, onkostenvergoeding en een iPad voor je raadswerk.

Wat is de Universiteitsraad?

De Universiteitsraad (ook wel bekend als de U-raad) is het hoogste medezeggenschapsorgaan van de Rijksuniversiteit Groningen. Tevens is zij dé gesprekspartner van het College van Bestuur (CvB) en overlegt zij regelmatig met dit orgaan. Als fractielid zie je toe op het beleid van de RUG en geef je zelf input door het indienen van eigen ideeën bij het College van Bestuur. Daarnaast sta je in contact met de hele Groningse studentenwereld en behartig je een jaar lang de belangen van alle studenten.

Wie zoeken wij?

  • Betrokken studenten met een hart voor onderwijskwaliteit.
  • Een assertief en standvastig persoon, die niet bang is zijn / haar mening te verkondigen.
  • Studenten met de ambitie zich sociaal, academisch en politiek te ontwikkelen.

Wat bieden wij je?

  • Uitgebreid trainingstraject waarbij meerdere vaardigheden centraal staan.
  • Opbouw van breed netwerk binnen academisch Groningen, politiek Den Haag en de rest van Nederland.
  • Een jaar lang het gezicht te zijn van studerend Groningen en kennis op het gebied van publiekelijk spreken, medezeggenschap en het functioneren van een groot bedrijf.

Interesse en solliciteren?

Voor meer informatie, een vrijblijvend gesprek of andere vragen kan je contact opnemen met de huidige fractievoorzitter van de SOG, Gerben ter Veen, via gerben@studentenorganisatie.nl of 0623261402. Als je besluit te solliciteren, stuur dan je CV met motivatiebrief naar sollicitatie@studentenorganisatie.nl. Dit kan tot en met zondag 26 februari.

De Studentenorganisatie Groningen (SOG) zet zich sinds 1972 in de belangen van studenten in Groningen te behartigen. Dit doet zij door middel van haar onderwijsgerelateerde commissies, activiteiten en fractie die zes van de twaalf studentenzetels heeft in de universiteitsraad van de Rijkuniversiteit Groningen (RUG).

 Excelleren en differentiëren

 

 

Inleiding

Afgaande op de Strategische Agenda’s van het Kabinet, staatssecretaris Zijlstra van Onderwijs, de Sociaal Economische Raad en de Vereniging van Universiteiten VSNU en op het pas verschenen hoofdlijnenakkoord acht de Studenten Organisatie Groningen (SOG) het nodig om een helder antwoord te geven met betrekking tot het profiel van de universiteit. Deze notitie beoogt het standpunt van de student te vertegenwoordigen met betrekking tot het profiel van de universiteit en hierop aansluitende beleidskeuzes te adviseren. De profilering zien wij terug in drie velden:

  • excellentie
  • ondernemerschap
  • onderzoek

 

Volgens de SOG zijn bovenstaande drie profileringsterreinen sterk met elkaar verbonden en is deze verbinding te versterken door in te zetten op publiek-private samenwerking. Deze notitie zal zich richten op het eerste punten, excellentie, gezien de sterke implicaties voor studenten van dit punt. In kort is de stelling van deze notitie dat interactie tussen de private en de publieke sector belangrijke mogelijkheden biedt voor zowel innovatie als excellentie en dat er in het ontwerpen van excellentieprogramma’s aandacht dient te zijn voor deze samenwerking.

 

 

Namens de SOG fractie 2011-2012

Henriëtte Hoving

 

 

 

Universiteitsraadfractie SOG 2011-2012

Gerben ter Veen

Henriëtte Hoving

Andries Bakker

Katerina Ezendam Metaxas

Bart-Jan van der Sleen

 

Functies van excellentietrajecten

Kwaliteit van onderwijs en onderzoek is cruciaal voor een toekomstbestendige universiteit. Naast het aanbieden van kleinschaliger onderwijs, zoals aangegeven in de SOGnotitie ‘Kwaliteit en Rendementen’, is het aanbieden van een gedifferentieerd onderwijsaanbod, het zogenaamde ‘onderwijs op maat’ hierin cruciaal. Een van deze vormen van differentiatie is het aanbieden van excellentietrajecten voor gemotiveerde en getalenteerde studenten. De SOG wil hierbij aantekenen dat ze excellentie opvat als een combinatie van bovengemiddelde capaciteiten met bovengemiddelde motivatie om meer te leren. Naast dat gedifferentieerd onderwijs en dus ook excellent onderwijs, als vorm hiervan, thuis hoort bij een hedendaagse universiteit, zijn er nog andere redenen om als universiteit in te zetten op excellentie. Verdere motivaties zijn een roep vanuit het bedrijfsleven om excellente studenten, een hevige competitie in de internationale universitaire markt, een grotere instroom studenten en de maatschappelijk waarde van excellentieonderwijs. Bij de Nederlandse universiteiten bestaan excellentietrajecten van zeer verschillende aard en opzet. In deze notitie zal de SOG zich uitspreken over de vorm die excellentie moet hebben aan de RUG, hierbij uitgaande van zowel de vastgestelde doelgroep en de doelen van excellentietrajecten zoals omschreven in de Honours College Rapportage voor de Sirius audit in september 2011 als de reeds voorgenomen plannen van het College van Bestuur.[1] De vraagstelling in deze notitie is tweeledig en bestrijkt zowel de vraag welke functie excellentietrajecten moeten innemen binnen de RUG en welke structuur hiervoor het beste geschikt is.

 

De drie belanghebbende partijen –de gouden driehoek- van excellentietrajecten zijn studenten, de RUG en het werkveld. Voor deze notitie is uitvoering overleg geweest met studenten om te bepalen wat studenten zoeken en vinden in excellentietrajecten. Studenten geven aan meer uitdaging en ontplooiing van hun capaciteiten te vinden in excellentietrajecten, onderdeel zijn van een ambitieuze learning community van studenten en docenten te waarderen, en een goede voorbereiding op hun maatschappelijke of wetenschappelijke carrière te zoeken in excellentietrajecten. Excellentietrajecten hebben voor de universiteit als functie om haar (internationale) profiel als uitdagende universiteit te vergroten en goede studenten aan te trekken, alsmede om haar profilering te versterken door uitstekend onderwijs aan te bieden waar onderzoek ook uitstekend is. Tevens zijn excellentietraject een doeltreffende manier om de banden met alumni en het bedrijfsleven te versterken. Tot slot dienen excellentietrajecten voor het werkveld als een manier om in een vroeg stadium in aanraking te koen met veelbelovende potentiele werknemers. Deze verschillende belangen dienen samengevoegd te worden tot excellentietrajecten die beantwoorden aan de vraag vanuit studenten en werkveld.

 

Belanghebbende Wens/functie aandachtsveld
Studenten Uitdaging Selectie, niveau programma, docentkwaliteit, aansluiting bij interesse en vakgebied
Ontplooiing capaciteiten Bewegingsvrijheid, eigen weg kunnen gaan
Learning community studenten en docenten Eigenaarschap docenten, sociale activiteiten
Voorbereiding carrière Contact met het werkveld, informatievoorziening

Heldere status HonoursbulRUGProfiel uitdagende universiteit

Profilering op sterke thema’sExterne communicatie, duidelijke identiteitBanden versterken bedrijfsleven en alumniOpzetten interessante samenwerkingsprojectenWerkveldVroeg contact high potentialsOpzetten interessante samenwerkingsprojecten

Figuur 1: Functies van excellentietrajecten

 

Structuur van excellentie in de Bachelor

De SOG herkent drie mogelijk vormen in de bachelorfase: verbreding, verdieping en een combinatie hiervan.

 

Verdieping: invoegen bij Honours College

Nu bestaan er verschillende verdiepende keuze-elementen bij de verschillende studies aan de RUG. In de meeste gevallen wordt er voor deelname aan deze elementen selectie toegepast en zou je kunnen spreken van een excellentieprogramma. Voorbeelden van zulke programma’s zijn de onderzoekstrajecten in de Bachelor zoals de Junior Scientific Masterclass (JSM) bij Geneeskunde, student-assistentschappen en speciale stageplekken. Gezien de Bachelor-Master structuur van de Universitaire opleidingen, waarbij de bachelor een verbredend karakter dient te hebben, lijkt het de SOG onverstandig om alleen verdiepende excellentietrajecten zonder verbredende component aan te bieden in de Bachelor. Bestaande verdiepingsprogramma’s zouden hun plek kunnen vinden in de facultaire verdiepende component van de centrale Honours Bachelor. Daarnaast moedigt de SOG faculteiten aan om nieuwe verdiepende vakken op te zetten welke kunnen worden geplaatst binnen het verdiepende deel van de overkoepelende Honours Bachelor. Naast de gedachte dat de bachelor een breed programma dient te zijn, ziet de SOG nog een belangrijke reden voor bovenstaand voorstel. Het is in het belang van de RUG en het RUG Honours keurmerk om het niveau en de opzet van excellentietrajecten vergelijkbaar te maken. Een Honoursstudent biologie moet op min-of-meer hetzelfde niveau geschaald kunnen worden als een Honoursstudent economie. Op dit moment is het nog niet mogelijk dit uniform te toetsen.

 

Verdieping en verbreding: Honours College

De SOG ziet een invulling van deze vorm bij de Honours Bachelor van het Honours College. De Honours Bachelor bedient nu iets minder dan vijf procent van de bachelorstudenten aan de RUG met een aanbod aan verbredende vakken, verdiepende vakken en onderdelen gericht op persoonlijke ontwikkeling. Deze driedeling sluit volgens de SOG goed aan bij het BaMa-onderwijsbeleid waarbij een Bachelor een brede opleiding is met ruimte voor onderzoek in het onderwijs en waar oog is voor de persoonlijke ontwikkeling van de student. Belangrijk bij de structuur van de Honours Bachelor is de wensen van studenten, universiteit en werkveld (zie figuur 1). Op deze manier kan er respectievelijk een lagere uitstroom/hogere instroom van studenten gehaald worden, kan de RUG beter op de kaart gezet worden en kunnen de banden met het bedrijfsleven versterkt worden. Gebaseerd op figuur 1 heeft de SOG een drietal aanbevelingen.

Ten eerste, zoals ook de Sirius Commissie meldde, is er te weinig eigenaarschap bij docenten die lesgeven bij het Honours College. Docenten zien het te vaak als een bijkomende last. Hiernaast wordt er van docenten meer gevraagd als ze lesgeven aan een groep intelligente studenten vanuit een diverse achtergrond die vaak de wens hebben om hun eigen weg te gaan binnen een vak en hierbij een zekere academische vrijheid verwachten. De SOG ziet het Talent Development Program voor medewerkers als een uitgelezen mogelijkheid om een ambitieuze learning community te creëren tussen studenten en  docenten. Het Talent Development Program bied al leertrajecten aan voor goede wetenschappelijke staf op zowel onderwijs- als onderzoekstaken. Deze twee excellentietrajecten kunnen op informele wijze aan elkaar gekoppeld worden door middel van seminars of colloquia. Ook zou lesgeven aan Honoursstudenten kunnen worden ingepast als keuze-onderdeel van het Talent Development Programma. De SOG ziet dat zo’n learning community alleen tot stand kan komen op basis van vrijwilligheid en wil benadrukken dat er geen verplichte samenwerking tussen deelnemers van de beide excellentieprogramma’s dient te zijn.

Ten tweede is het belangrijk voor de RUG en haar studenten dat het Honours keurmerk een duidelijke status heeft: zoals al genoemd, een Honoursstudent biologie moet op min-of-meer hetzelfde niveau geschaald kunnen worden als een Honoursstudent economie. Een belangrijk instrument hiervoor is beoordeling van vakken. De situatie nu is dat er voor sommige onderdelen cijfers worden gegeven en voor andere onderdelen een onvoldoende of voldoende zonder dat hier een duidelijke gedachte of keuze achter zit. De SOG pleit voor het geven van voldoendes of onvoldoendes voor vakken met hierbij een uitgebreide feedback. Ten eerste zijn de niveauverschillen tussen de honoursstudenten klein in vergelijking met  de reguliere studenten. Ten tweede bestaat het Honours Programma uit verschillende onderdelen die heel verschillende karakters hebben. Toetsing door middel van cijfers past niet bij alle onderdelen van het programma. Voorbeelden hiervan zijn het bijwonen en participeren in onderzoeksseminars en het volgen van een summer school. Tot slotte komt de sfeer van samenwerking, groepsgevoel en inzet die er nu heerst in het programma hierbij in het geding.

Tot slot ziet de SOG mogelijkheden om het onderwijsaanbod in het Honours College te laten aansluiten op de drie profileringsvelden van de RUG, om op deze manier profilering een duidelijke plek te geven naast de drie brede bachelors. Hiervoor zien wij de meeste ruimte in het verbredende onderdeel, met name de twee keuzemodules en de hieraan gekoppele summerschool en ‘atelier’. Dit gekoppelde driedelige traject bied voldoende mogelijkheden om goede studenten grondig kennis te laten maken met een van de drie profileringsvelden van de universiteit. Hiermee worden naar de mening van de SOG ook de banden met het onderzoek aangehaald. Op dit moment is vooral in het verbredende onderdeel nog te weinig reseach driveness voor een excellentietraject aan een universiteit.

 

 Verbreding: drie brede bachelors

Deze verbredende vorm van excellentie-onderwijs wordt bij sommige universiteiten ingevuld wordt met een University College. Op dit moment zijn er drie verbredende excellentietrajecten in de ontwerpenfase: Philosophy, Politics & Economics, welke aansluit bij het profileringsveld Sustainable Society; Energy, aansluitend bij het gelijknamige profileringsveld; en een brede bachelor binnen de gezondheidszorg, aansluitend bij het profileringsveld Healthy Aging. Wederom aansluitend bij de verschillende functies van excellentietrajecten zoals benoemd in figuur 1 heeft de SOG twee aanbevelingen.

Na uitgebreid onderzoek onder (excellente) studenten, bleek dat de grootste zorg van veel studenten is dat een brede bachelor hun niet genoeg zou voorbereiden op een gespecialiseerde master of baan. Een brede bachelor moet natuurlijk breed zijn, maar moet tegelijkertijd een student genoeg voorbereiden op een master of baan. Hiervoor is het enerzijds nodig dat er een rode draad door alle vakken in het curriculum loopt welke de vakken met elkaar verbindt. Anderzijds is het nodig dat studenten zich kunnen verdiepen in een track. Op deze manier behoudt de Bachelor haar brede karakter, en beschermt het studenten tegelijkertijd ervan om ‘van alles een beetje te weten en van niets iets’. Bij de brede bachelor Energy kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een brede natuurkundig/technische basis met hierbij energie als rode draad door verschillende vakgebieden die als een soort modules of de natuurkundige basis geplaatst kunnen worden. Op deze manier wordt gegarandeerd dat de studenten ‘iets kunnen’ na hun studie. Op de precieze invulling van deze brede bachelors zal dieper worden ingegaan in het onderzoeksrapport over de Energy Academy, welke in de nabije toekomst zal verschijnen. Tegelijkertijd sluit deze vormgeving aan bij de wens van studenten, zoals vermeld in figuur 1 om hun eigen capaciteiten te kunnen ontwikkelen in een excellentietraject. Hiervoor is enige vrijheid in het curriculum nodig. Vormgeving van het curriculum als een basis en verschillende modules of tracks voldoet hieraan.

Ten tweede zijn er twijfels onder veel studenten en medewerkers of een volledige nieuwe opleiding voldoende niveau kan bieden aan de beoogde groep excellente studenten, ook een functie vermeld in figuur 1. Voor alle drie de nieuwe brede bachelors geldt dat slechts een deel van de kennis al ‘in huis’ is, in de vorm van bestaande onderzoeksgroepen of studies. Een nieuwe studie oprichten is moeizaam en kost tijd, al helemaal als deze studie door excellente studenten bevolkt moet worden en moet aansluiten bij onderzoek en bedrijfsleven. De SOG pleit dan ook voor een nuchtere en voorzichtige aanpak. Het heeft de voorkeur om in een eerste jaren vooral gebruik te maken van kennis die al ‘in huis’ is en langzaam nieuwe onderzoekers en docenten aan te stellen als dit gewenst is. Weer kijkend naar de brede bachelor energie, pleit de SOG ervoor dat de docenten en vakken in energie zoals deze bestaan aan FWN (bij de bachelors scheikunde en natuurkunde en bij de master Energy & Environmental Sciences) te gebruiken in plaats van geheel nieuwe materiaal zolang als de bachelor nog in de kinderschoenen staat. Alles tegelijkertijd willen veranderen, is volgens de SOG onverstandig. Tegelijkertijd geld voor kennis die nog niet in huis is dat deze voorzichtig in het programma geïmplementeerd kan worden, maar bij voorkeur als de kern van het programma staat. Op deze manier kunnen de nieuwe brede bachelors op een verantwoorde manier opgezet worden, waarmee de toekomstige studenten vertrouwen hebben in de opleiding die ze gaan volgen. Voor PPE geldt dit wellicht in iets mindere mate, aangezien de opleiding als zodanig op meerdere Universiteiten aangeboden wordt.

Structuur van excellentie in de Master

De master ziet de SOG als een verdiepend programma. Hier dienen de excellentietrajecten in de masterfase ook op aan te sluiten. Vandaar dat de SOG puur verbredende excellentietrajecten in de masterfase niet wenselijk acht. Aangezien de master de poort is naar een maatschappelijke of wetenschappelijke carrière ziet de SOG een drietal vormen voor excellentietrajecten in de masterfase: maatschappelijk, fundamenteel onderzoek en geprofileerd, gevaloriseerd onderzoek. Aansluitend bij deze drie vormen van excellentietrajecten acht de SOG de volgende drie excellentietrajecten wenselijk: de Honours Master voor studenten die een maatschappelijke, niet-onderzoeksgerichte carrière ambiëren, met hierbij veel aandacht voor het werkveld; De researchmaster voor fundamenteel en gevaloriseerd onderzoek en een aantal specifieke double degree opleidingen op de profileringsvelden van de RUG voor geprofileerd, gevaloriseerd onderzoek.

 

Maatschappelijk

De Honours Master bestaat sinds dit jaar naast de Researchmaster en onderscheidt zich volgens de SOG goed van haar wetenschappelijke zus door het thema ‘leiderschap’ te kiezen. Dit thema is vooral maatschappelijk, maar kan ook als sociaal-maatschappelijk programma bovenop een wetenschappelijke master gestapeld worden. Waar loopbaan en het werkveld een rol speelt in de bachelorfase, is dit thema nog meer aan de orde in de masterfase. De SOG pleit, in samenspraak met de Siriuscommissie voor meer aandacht voor het werkveld bij alle excellentietrajecten in het algemeen en bij de Honours Master in het bijzonder. Een concrete invulling hiervan is het opzetten van een digitaal alumninetwerk voor studenten die hebben meegedaan aan een of meerdere van de excellentietrajecten aan de RUG, hierbij ook de researchmaster betrekkende. Daarnaast zouden er samenwerkingsprojecten opgezet kunnen worden door de RUG of zou de RUG kunnen aansluiten bij bestaande samenwerkingsverbanden tussen bedrijven, alumni en studenten. Er bestaan hiervan enige voorbeelden bij het Honours College zoals de Business Battle voor bedrijven uit Noord Nederland georganiseerd door Hollandse Nieuwe en Het Zuiderlicht. Ten slotte zouden excellentietrajecten een facultatieve (mini-)internship kunnen bevatten als onderdeel van het curriculum.

 

Fundamenteel onderzoek

De Researchmaster is het klassieke traject voor succesvolle studenten naar promotie en hierna een wetenschappelijke carrière. Deze opleiding staat niet aangemerkt als Honours opleiding, maar kan volgens de SOG weldegelijk beschouwd worden als zodanig, aangezien er scherpe selectiecriteria bestaan voor deze master. Om de doorstroom naar een wetenschappelijke carrière te bespoedigen en op deze manier de researchmaster werkelijk een voorbereiding te laten zijn voor een wetenschappelijke loopbaan, dient de researchmaster beter aan te sluiten  op de promotie. De SOG moedigt de ontwikkeling aan van het zogenaamde 2-3beleid, waarbij een tweejarige researchmaster vrijwel naadloos voortvloeit in een 3jarig promotietraject. Hierbij ligt er een belangrijke taak bij de Graduate Schools.

 

Gevaloriseerd onderzoek

Tot slot ziet de SOG een kans om excellentie te verbinden aan de profilering van de universiteit: anderhalf-jarige double degree’s. Dit type master bestaat al bij de Faculteit

Economie en Bedrijfskunde en wordt door faculteit als studenten positief beoordeeld. Deze opleidingen zouden bij andere faculteiten toegepast kunnen worden. De SOG ziet deze masteropleidingen als invulling van een interdisciplinair opleiding welke aansluit bij een van de profileringsvelden, zoals Energie. Hierbij wordt het bezwaar ondervangen dat bij brede bachelors nog wel eens naar voren kan komen: dat het vakkenaanbod te versnipperd is voor een goede voorbereiding op de arbeidsmarkt. Een double degree behoud het interdisciplinaire karakter, terwijl het tegelijkertijd studenten voldoende kennis bijbrengt om een plek op de arbeidsmarkt te kunnen veroveren. Te denken valt aan double degree’s Energie & Recht, Energie & Techniek (waarbij een ingenieurstitel behaald kan worden), en Energie & Internationale Betrekkingen.

 

 

 

 

 

 

 

Conclusie en aanbevelingen

In het kader van excellentie pleit de SOG voor een uniform systeem zowel in bachelor als master dat duidelijk aansluit bij het werkveld en beantwoord aan de functies die excellentietrajecten hebben voor de verschillende betrokkenen (studenten, universiteit en werkveld/maatschappij).

Met betrekking tot de bachelorfase stelt de SOG voor om de bestaande verdiepingsprogramma’s op de faculteiten in te passen in het verdiepende facultaire deel van het Honours College, om op deze manier aan te sluiten bij het idee van een bachelor met een breed karakter en om de uniformiteit van excellentietrajecten aan de RUG te waarborgen. Ten aanzien van de Honours Bachelor  is de SOG zeer tevreden en doet ze een drietal aanbevelingen: het zoeken naar verbinding tussen het Honours College en het Talent Development Program op informele wijze; het beoordelen van onderdelen van het Honours College met een voldoende of onvoldoende en uitgebreide feedback; en aansluiting bij de profileringsvelden door verbredende modules aan te bieden op deze gebieden. Tot slot ziet de SOG potentieel voor een drietal brede bachelors welke aansluiten bij de profileringsvelden. Drie opmerkingen worden hierbij gemaakt. Ten eerste moet voorkomen worden dat studenten ‘van veel iets en van niets iets weten’ door een duidelijke rode draad en keuzetracks vanaf jaar twee in het curriculum te incorporeren. Ten tweede voorzichtig de brede bachelors opbouwen en eerst kennis die al ‘in huis’ is en bestaande vakken benutten alvorens nieuwe vakgroepen aan te trekken en nieuwe onderwijsvormen te implementeren.

Met betrekking tot de masterfase ziet de SOG drie vormen van excellentietrajecten. Een maatschappelijke variant, zoals deze nu bestaat in de Honours Master. Gezien het nieuwe karakter van de opleiding heeft de SOG hier nog geen opmerkingen op. Verder de researchmaster, welke officieel geen excellentietraject is, maar weldegelijk zo gezien kan worden gezien het selectieve karakter van de opleiding. Ten aanzien hiervan merkt de SOG op dat ze het 2-3 traject van master naar promotie onderschrijft. Tot slot stelt de SOG voor om invulling te geven aan gevaloriseerd onderzoek met de anderhalf-jarige double degree’s op de drie profileringsvelden.

 

 

 

 

 

 

 


[1] De doelgroep van de excellentietrajecten wordt in het rapport omschreven aan de hand van vijf kenmerken: hoge cijfers (beste tien procent), sociale vaardigheden, leiderschapskwaliteiten brede interesse en sterke motivatie. Er zijn twee doelen van het Honours College geformuleerd: een diepgravende kennismaking met de eigen en andere disciplines in verschillende contexten en daarnaast Honours College studenten stimuleren en voorbereiden op leidersposities zowel binnen een wetenschappelijke als maatschappelijke carrière.

NLD-20040216-ROTTERDAM: Vrouwe Justitia op het voormalige Gerechtgebouw in Rotterdam aan de Noordsingel. Hier is nu de Raad voor de Kinderbescherming in gevestigd.ANPFOTO KOEN SUYK

De Studentenorganisatie Groningen (SOG) vindt meer vrouwen in academische wereld belangrijk, maar de beste persoon op de juiste plek belangrijker.

Groningen, 29 december 2011 – Verschillende media hebben in de loop van donderdagochtend bericht over positieve discriminatie aan de Rijksuniversiteit Groningen (RUG). De Commissie Gelijke Behandeling heeft de RUG berispt over het discrimineren van mannen in de benoeming van twaalf vrouwelijke hoogleraren. Volgens de SOG is het te betreuren dat mannen destijds niet een gelijke kans hebben gekregen. Er moet niet voorbij worden gegaan aan de scheve man-vrouw verhouding in het hoger onderwijs en de wetenschap.

De RUG heeft inmiddels laten weten niet meer op deze manier te selecteren. “Dit is positief: Al in 2007 sprak de fractievoorzitter van de SOG zich uit tegen positieve discriminatie tijdens de Opening van het Academisch Jaar,” aldus Gerben ter Veen, huidig fractievoorzitter, “Toen zei zij dat het in een academische wereld gaat om academische kwaliteit, om vakgebieden en om persoonlijke ambities. Door mannen tegenover vrouwen te zetten ontstaat echter een beeld alsof het hierom gaat.”

De SOG ziet een verkeerde inslag terug in het beleid. “Met een groter aandeel ingeschreven studentes dan studenten is het essentieel juist vrouwen te motiveren een academische loopbaan te kiezen,” zegt Ter Veen, “Nu probeert men achteraf het verlies aan talent te corrigeren, in plaats van aan de basis talentvolle studentes ook na hun studie aan zich te binden. Goed en uitdagend onderwijs, met een sterke binding aan onderzoek, zal een ambitieus voorbeeld zijn dat elke studente wil volgen.”

De SOG zal dan ook blijven oproepen om door middel van stimulerende maatregelen een groter aandeel vrouwen te bewerkstelligen. Bijvoorbeeld door middel van parttime functies aan te bieden en vrouwen expliciet uit te nodigen te solliciteren, zonder de deur voor mannen te sluiten. Het gaat uiteindelijk bij elke positie om de beste wetenschapper en / of docent.

EINDE PERSBERICHT

Oct 142011

SOG notitie over de profileringsfondsregeling
2012-2017

Inleiding

Wanneer aan een eerstejaarsstudent wordt gevraagd ‘waarom ben je in Groningen gaan studeren?’ zal menig student antwoorden ‘omdat het dé studentenstad bij uitstek is’. Hiermee worden dan niet alleen de gezellige kroegen van de binnenstad bedoeld, maar juist het grote aanbod aan studentenverenigingen, op het gebied van studie, cultuur, sport, gezelligheid en internationalisering.

Mede door de maatregelen vanuit Den Haag is het voor veel studenten niet meer weggelegd om te kiezen voor een bestuursjaar, dit terwijl bedrijven veel waarde hechten aan studenten met een uitgebreid CV. Om studenten te blijven motiveren een bestuursjaar te gaan doen, is het een vereiste dat het profileringsfonds studenten ook in de toekomst zal blijven compenseren voor opgelopen studieachterstand.

Daarom ligt nu voor u de notitie van de universiteitsraad fractie van de Studenten Organisatie Groningen (SOG) met betrekking tot de nieuwe regeling voor het profileringsfonds. Daar waar het profileringsfonds soms wordt afgedaan als een onbelangrijk goed, omdat het slechts 0,16 procent van de begroting van de Rijksuniversiteit Groningen beslaat, is de SOG juist van mening dat deze regeling enorm belangrijk is voor de studentengemeenschap in Groningen en daarom ziet zij zich ook genoodzaakt om zelf met een voorstel te komen voor de nieuwe regeling.

Voor het schrijven van deze notitie is contact opgenomen met de verschillende koepelorganisaties en heeft de SOG aan hen gevraagd welke punten zij graag terug wilden zien in de nieuwe profileringsfondsregeling. Deze punten zijn meegenomen in de notitie.

Graag lichten wij deze notitie extra toe tijdens de Raadscommissie. Mochten er vanaf uw zijde vooraf al vragen zijn ten aanzien van bepaalde punten dan kunt u altijd contact opnemen met de SOG fractie.

Namens de SOG fractie 2011-2012,

Katerina Ezendam Metaxas (woordvoerder profileringsfonds)
katerina@studentenorganisatie.nl

—————————————————————————————————————–

Compartimentering

Dat het huidige profileringsfonds een ingewikkeld oerwoud van regels is, waarbij besturen met kruiwagens naar het CUOS komen om hun bewijsmateriaal in te leveren, is in heel Groningen bekend. De SOG is daarom ook van mening dat de door het College van Bestuur voorgestelde verdeling in compartimenten hiervoor wellicht een uitkomst zal gaan bieden.

De SOG zou echter een andere verdeling voor willen stellen, waarbij de SOG allereerst de kanttekening wil plaatsen dat deze verdeling niks te maken heeft met het belang van het compartiment, maar puur en alleen het gevolg is van overleggen met koepelorganisaties en het doorberekenen van de regeling op de verschillende compartimenten. Door aan de compartimenten sportverenigingen en culturele organisaties meer maanden toe te kennen, wordt een toekomstige groei van verenigingen/organisaties ingedekt. Waardoor de regeling niet over drie jaar alweer aangepast zal moeten worden.

Wanneer het College van Bestuur het SOG voorstel zal overnemen kan zij 124 bestuursbeursmaanden besparen en blijven er genoeg maanden beschikbaar om in de toekomst nieuwe verenigingen en/of groeiende verenigingen van bestuursbeursmaanden te voorzien. Met dit laatste punt hangt samen dat de SOG in de nieuwe regeling graag de garantie opgenomen zou zien dat het aantal maanden binnen een compartiment ook daadwerkelijk uitgekeerd zal worden. Wanneer dit niet gebeurt zal er los van de 124 maanden die minder zal worden uitgekeerd nog eens verkapt worden bezuinigd op het profileringsfonds. Een optie om compartimenten ook daadwerkelijk volledig uit te keren kan zijn: het instant houden van het principe ‘incidentele bestuursbeurzen’. Dit biedt besturen de mogelijkheid om voor eenmalige activiteiten een compensatie te ontvangen. De SOG fractie is van mening dat een systeem waarin het aantal maanden wel vast staat maar de hoogte van het maandbedrag kan fluctueren, naar gelang het aantal maanden dat zal worden uitgekeerd binnen een compartiment, geen goed plan is. Dit omdat bijvoorbeeld binnen het compartiment studieverenigingen het gevaar gaat ontstaan dat niet alleen het aantal maanden per vereniging zal gaan verschillen maar ook de hoogte van het maandbedrag.

Aanbeveling 1: Verruiming van de compartimenten sportverenigingen en culturele organisaties.
Aanbeveling 2: Hanteer een vast maandbedrag, dit om een onevenredige verdeling te voorkomen.

*Organisaties zijn gemengd, d.w.z. dat zij bestaan uit RUG- en HG-leden en ook uit RUG- en HG-studentbestuurders. De gemengde organisaties krijgen 1251 bbm. Hiervan komt naar schatting 90 % voor rekening van de RUG en 10 % voor de HG.

Medezeggenschap

De SOG zou graag willen onderstrepen wat de meerwaarde is van studenten in de medezeggenschap. Naast dat het een wettelijke plicht is voor de Universiteit, is het ook een goede manier om de betrokkenheid van studenten bij de Universiteit te vergroten. Door studenten ook in de toekomst te blijven compenseren voor hun inzet zullen studenten hun taak ook serieus blijven nemen. De SOG verwacht dat door de nieuwe plannen vanuit Den Haag de werklast voor studenten in de medezeggenschap alleen maar zal toenemen. Daarnaast zal de medezeggenschap de komende jaren meer te maken krijgen met het controleren van de kwaliteitseisen van de instelling en haar onderdelen. De praktijkvoorbeelden waarbij dit niet gebeurde zijn algemeen bekend. Daarom pleit de SOG voor een behoud van het aantal beursmaanden voor medezeggenschap.

Echter, ziet de SOG wel een andere mogelijkheid om op de post medezeggenschap te bezuinigingen. Zo is de SOG van mening dat zowel de studentadviseurs van de faculteitsbesturen als het CUOS niet thuis horen in het rijtje medezeggenschap. Zo handelen de studentadviseurs van de faculteitsraden niet in naam van de medezeggenschap; zij zijn onderdeel van het zeggenschapsorgaan van de faculteiten. Daarom lijkt het de SOG beter om deze studenten te compenseren met gelden vanuit de faculteit, bijvoorbeeld door de studentadviseurs op de loonlijst te plaatsen, dit laatste zou ook een oplossing kunnen zijn voor het CUOS. Het CUOS functioneert als een uitvoerend orgaan van het College van Bestuur, daarom lijkt het de SOG onwenselijk om de bestuursbeursmaanden van het CUOS te blijven betalen vanuit het profileringsfonds.

Wanneer het bovenstaande wordt ingevoerd zal op de medezeggenschap met 74 maanden worden bezuinigd ten aanzien van het academisch jaar ’11-’12. Dit aantal maanden zal ook in de toekomst gelijk blijven, aangezien de kleinere faculteiten die nu 5 studenten in de medezeggenschap hebben zitten niet exponentieel zullen gaan groeien, waardoor een vergroting van het aantal leden in de raden wenselijk zal worden.

Aanbeveling 3: Haal de studentadviseurs van de faculteitsbesturen en het CUOS uit het compartiment medezeggenschap en laat ze in loondienst werken van de faculteit dan wel de RUG.

Studentenvoorzieningen

Zonder studentenvoorzieningen zou Groningen als studentenstad niet hetzelfde zijn. Iedere student krijgt gedurende zijn studententijd wel eens te maken met één van deze voorzieningen, zowel Nederlandse als internationale studenten. De studentbesturen die deze voorzieningen runnen, vervullen een taak die anders vervuld zou moeten worden door de Universiteit zelf.

In de afgelopen jaren hebben ACLO, ESN, KEI en Usva hun meerwaarde bewezen en daarom acht de SOG het niet noodzakelijk om deze voorzieningen jaarlijks te toetsen, wel zullen de voorzieningen hun jaarstukken, jaarlijks, moeten voorleggen aan het CUOS.

Ten aanzien van huisvesting, subsidie en bestuursbeurzen zou de SOG graag de volgende regeling willen voorstellen: Huisvesting: Zal voor de ACLO verleent worden door het Sportcentrum en voor Usva door het USCC. ESN en KEI zullen door het CUOS voorzien blijven van huisvesting. Het aantal m2 zal vastgesteld worden op basis van de universitaire normen voor werkplekken. Voor de ACLO en Usva geldt tevens dat de huisvesting de mogelijkheid moet bieden om de verenigingen die onder de (toekomstige) koepel vallen te kunnen huisvesten. Subsidie: De voorzieningen zullen een vast doelbedrag voor hun activiteiten ontvangen van het CUOS. Overeenkomstig het kader document zullen dit zijn: ACLO K€ 50, ESN en KEI elk K€ 15 en Usva K€ 100. Bestuursbeurzen: De SOG kan zich vinden in het voorstel van het College van Bestuur om het aantal beursmaanden voor deze besturen vast te leggen op 42 maanden per voorziening.
Een verandering in de toewijzing van huisvesting, subsidie en bestuursmaanden zal alleen plaatsvinden wanneer er een substantiële wijziging ontstaat in de organisatiestructuur, het activiteiten aanbod of de financiële situatie van de RUG. In dit laatste geval zullen de voorzieningen vroegtijdig op de hoogte gebracht worden.

De rol van het CUOS hierbij in de toekomst is, het controleren van de jaarstukken, waarbij het CUOS blijft toezien op de verhouding tussen de subsidie en de leden- deelnemersaantallen. Tevens zal een lid van het CUOS als toehoorder bij de vergaderingen van het AB (of vergelijkbaar orgaan) aanwezig zijn.

Gezelligheidsverenigingen

De gezelligheidsverenigingen vormen voor veel studenten het kloppend hart van de Groningse studentengemeenschap. Meer dan een kwart van de studenten is namelijk lid van een gezelligheidsvereniging. Wat al deze verenigingen gemeen hebben, of ze nu 160 is 2600 leden hebben, is het uitgebreide aanbod aan activiteiten. Doordat onder toeziend oog van de besturen commissies actief zijn, zal de werklast voor het organiseren van activiteiten voor zowel grote als kleine verenigingen gelijk zijn. In het verleden was het activiteiten aanbod een criterium waarop het CUOS het aantal bestuursbeursmaanden baseerde, hier wil de SOG graag vanaf. Onze achterban heeft sterk zijn onvrede geuit over de papieren rompslomp die gepaard ging met de herijking mede op basis van het activiteiten aanbod. Een criterium dat de SOG wel wil mee laten wegen bij gezelligheidsverenigingen is of een vereniging een eigen pand exploiteert, dit is voor een bestuur namelijk een extra bestuurslast. Bovenstaande in ogenschouw nemend zou de SOG de volgende verdeling voor het aantal bestuursbeursmaanden willen voorstellen:

Gezelligheidsverenigingen die in aanmerking willen komen voor bestuursbeursmaanden dienen ten minste te voldoen aan de volgende voorwaarden: het in bezit hebben van een eigen (gehuurd) pand of ruimte, welke door de vereniging zelf worden geëxploiteerd, daarnaast dient een vereniging ten minste 150 jaarlijks volwaardig contributie betalende leden te hebben. Wanneer een vereniging aan de minimum voorwaarden voldoet krijgt zij 20 bestuursbeursmaanden. Een vereniging komt in aanmerking voor extra bestuursbeursmaanden wanneer zij voldoet aan de volgende criteria:

- Vanaf 225 leden (25 bbm)
- Vanaf 300 leden (30 bbm)
- Vanaf 500 leden (40 bbm)
- Vanaf 700 leden (45 bbm)
- Vanaf 950 leden (55 bbm)
- Vanaf 1200 leden (60 bbm)
- Vanaf 1500 leden (70 bbm)

De reden dat de SOG pleit voor een extra stap van 225 is, omdat de werklast bij kleinere verenigingen enorm wordt vergroot wanneer zij zullen groeien van 150 naar 225 leden, wat een ledengroei van 150 % zal betekenen. Het lijkt de SOG onwenselijk om deze besturen pas extra te gaan compenseren wanneer hun vereniging voor 200 % gegroeid is. Dezelfde motivering is van toepassing op de extra stap van 1200 leden.

Aanbeveling 4: Houdt bij de vaststelling van de verdeelsleutel voor gezelligheidsverenigingen rekening met de toename van het aantal leden en de daarbij gepaard gaande bestuurslast.

Sportverenigingen

Dat studenten ‘sport-minded’ zijn blijkt wel uit het grote aantal studentensportverenigingen dat is aangesloten bij de ACLO, op dit moment meer dan vijftig. De ACLO faciliteert daar waar mogelijk de huisvesting van deze verenigingen en verleent aan sportverenigingen subsidies.

Als criteria voor de verlening van bestuursbeurzen zou de SOG graag het volgende aan het College willen voorstellen: Studentbesturen van sportverenigingen komen in aanmerking voor een bestuursbeurs van 10 maanden indien zij tenminste over 150 leden beschikken en een eigen clubhuis hebben of over studentleden beschikken die aan hogere wedstrijdsport doen.

Indien de vereniging zowel beschikt over een eigen pand, als hogere wedstrijdsport faciliteert heeft het bestuur recht op 20 bestuursbeursmaanden.

Een vereniging zal in aanmerking komen voor een opslag van het aantal bestuursbeursmaanden op grond het ledenaantal, wanneer zij meer dan 250 leden heeft (10 bbm ) en vanaf 500 leden (20 bbm).


Zoals onder compartimentering al nader is toegelicht pleit de SOG er voor om het aantal maanden voor het compartiment sportverenigingen vast te leggen op 500. De motivering hierachter is dat uit berekeningen uitgevoerd aan de hand van de ledenaantallen van academisch jaar ’10-’11 blijkt dat er een groot aantal verenigingen op dit moment net op de grens zitten van opslag. Door in de nieuwe regeling het compartiment voor sportverenigingen al wat ruimer vast te stellen zal er in de toekomst ruimte blijven voor groei. Daarnaast concludeerde de SOG dat, bij een compartiment van 400 bestuursbeursmaanden en toepassing van de criteria zoals hierboven beschreven het compartiment ruim werd overschreden.

Studieverenigingen

In het kader document stelt het College van Bestuur voor om het compartiment studieverenigingen verder te verdelen per faculteit, op basis van student aantallen (zie fig 3). Kijkend naar deze tabel, met in het achterhoofd houdend het aantal studieverenigingen per faculteit, zal men moeten concluderen dat deze verdeling uiterst ongelijk zal zijn. Zo zal de faculteit der gedrags- en maatschappij wetenschappen met slechts drie studieverenigingen meer maanden ontvangen dan een faculteit der rechtsgeleerdheid met negen studieverenigingen. Een groter probleem zal zichtbaar worden bij de Faculteit voor Wis- en Natuurkunde (FWN). Deze faculteit kent acht relatief grote studievereniging. Bij toepassing van een verdeling naar aantal studenten zal FWN 79 bestuursbeursmaanden ontvangen, dit terwijl ze er nu 144 hebben. Wanneer vervolgens de criteria, zoals beschreven onder ‘decentrale verdeling’, strikt toepast zullen worden zal FWN ruim 40 maanden tekort komen.

De SOG erkent dat er een positief aspect zit aan de verdeling van het aantal bestuursbeursmaanden naar aantallen studenten, namelijk dat er een gelijkmatigere verdeling van het aantal bestuursbeursmaanden over de faculteiten zal ontstaan. Echter zou de SOG graag een regeling zien waarbij een overschot aan maanden bij een faculteit een tekort aan maanden bij een andere faculteit zal dekken.

De SOG zou verdere verdeling van de maanden graag toe willen lichten aan de hand van twee uitgaanssituaties, namelijk centrale en decentrale verdeling.

Centrale verdeling

Binnen de Rijksuniversiteit Groningen bestaat er een orgaan in wiens takenpakket in vastgelegd dat zij verantwoordelijk is voor de verdeling van de bestuursbeurzen, te weten het Centraal Uitvoeringsorgaan Studentenorganisaties. De afgelopen jaren heeft zij laten blijken goed in staat te zijn om op een objectieve manier de bestuursbeurzen te verdelen. Daarom zou de SOG ook in de nieuwe regeling willen zien dat het CUOS deze taak blijft uitvoeren. Onze motivering hiervoor is dat het CUOS goed het overzicht kan houden over de verdeling. Wanneer blijkt dat een faculteit daadwerkelijk te veel maanden toegekend heeft gekregen, zal het CUOS deze maanden kunnen gebruiken voor studieverenigingen aan een faculteit die maanden te kort komt.

Aanbeveling 5: Blijf de verdeling van bestuursbeursmaanden voor studieverenigingen centraal regelen.

Decentrale verdeling

Van verschillende bronnen heeft de SOG vernomen dat het de wens is van het College van Bestuur om de verdeling van het aantal bestuursbeursmaanden voor studieverenigingen aan de faculteit over te laten. De SOG kan zich niet vinden in dit plan van het College. Met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zal de SOG nooit met dit voorstel kunnen leven. In de komende paragrafen zullen wij eerst onze bezwaren schetsen alvorens het College van Bestuur adviezen aan te reiken die tot doel hebben, mocht men besluiten tot implementatie, de negatieve gevolgen zoveel mogelijk te beperken.

Mogelijke rampscenario’s die zouden kunnen ontstaan bij decentrale verdeling zijn dat het faculteitsbestuur niet of nauwelijks op de hoogte is van de werkzaamheden van de verschillende studieverenigingen. Een gevolg hiervan zou kunnen zijn dat het bestuur er voor zal kiezen om het merendeel van de maanden uit te keren aan de faculteitsvereniging/grootste vereniging of aan de vereniging die het beste bijdraagt aan het profiel van de faculteit etc. Een tweede scenario is, dat het faculteitsbestuur ervoor kiest om de uitvoering over te laten aan de studentadviseur, het gevaar voor willekeur ligt ook hier op de loer, want hoe onafhankelijk is een student die zelf lid is bij één van de verenigingen? Afgezien van het feit wie de uitvoerende taak op zich zal nemen is het bij decentralisatie ook niet duidelijk wie het uitvoerende orgaan zal gaan controleren: is dat de faculteitsraad, de universiteitsraad of het CUOS?

Mocht er in de nieuwe regeling worden gekozen voor decentralisatie dan zou de SOG graag de volgende dingen op centraal niveau vast willen leggen; namelijk, wie verdeeld de maanden, enkele basiscriteria die voor alle faculteiten zullen gelden en wie het uitvoerden orgaan zal controleren. Onze vastberadenheid hierover komt voort uit gesprekken die wij gevoerd hebben met andere Universiteitsraadsfracties. In Utrecht, Wageningen en Tilburg is er in de nieuwe profileringsfondsregeling gekozen voor decentralisatie. Uit gesprekken met onze collega’s uit Tilburg kwam onder andere naar voren dat het bij hen nu inderdaad het geval is dat de verdeling gebeurt aan de hand van onduidelijke, subjectieve criteria, die de faculteiten zelf vast mogen stellen. De praktijk laat zien dat dit resulteert in ongelijke en oneerlijke verdeling van bestuursmaanden.

Verdeling bij decentralisatie Wanneer er in de nieuwe regeling gekozen zal worden voor een decentrale verdeling zal deze taak, naar mening van de SOG, komen te liggen bij het faculteitsbestuur. Dit omdat zij het primaire overlegorgaan is voor het College van Bestuur vanuit de faculteiten. Verdere delegatie naar bijvoorbeeld de studentadviseurs acht de SOG uiterst onwenselijk.

Als basiscriteria zou de SOG graag het volgende willen voorstellen.

Met de verdeling van klein, middel en groot wil de SOG voorkomen dat bij faculteiten met veel studieverenigingen de kleine verenigingen de dupe zullen worden van een grote studie- of faculteitsvereniging.

Het invoeren van een maximum komt voort uit een probleem dat nu leeft bij veel studieverenigingen, namelijk dat de verenigingen meer maanden toegekend krijgen dan dat ze aan bestuursleden mogen verdelen. Onder de huidige regeling verdelen studieverenigingen deze maanden meestal aan de voorzitter van de grootste commissie. Een tweede reden voor het instellen van een maximum is omdat op deze manier dit ‘overschot’ aan maanden niet meer hoeft worden uitgegeven, wat een mogelijke groei van het aantal maanden bij kleinere verenigingen kan betekenen.

Aanbeveling 6: Indien er toch wordt gekozen voor decentralisatie van de verdeling van bestuursmaanden voor studieverenigingen, stel dan op centraal niveau basiscriteria vast waar faculteitsbesturen zich aan moeten gaan houden.

Culturele organisaties

Menig student houdt zich bezig met cultuur, deze mogelijkheid heeft een student door de vele culturele organisaties die Groningen rijk is. Echter, op dit moment is slechts een kleine selectie van alle culturele studenten organisaties, die vallen onder Usva koepel, opgenomen in het profileringsfonds. Om binnen dit compartiment ruimte te laten voor groei, pleit de SOG voor het toekennen van 100 bestuursbeursmaanden aan het compartiment cultuur.

Over een duidelijke verdeelsleutel is door de SOG nagedacht en mede na overleg met Usva geconcludeerd dat de factoren, leden- en deelnemersaantallen, maar ook de frequentie van uitvoeringen/activiteiten een rol dienen te spelen bij het toekennen van het aantal bestuursbeursmaanden. Gezien de expertise van Usva over deze factoren, wil de SOG het College adviseren om Usva in samenwerking met het CUOS de verdeelsleutel te laten invullen. Waarna deze ter advisering zal worden gebracht bij de Universiteitsraad.

Aanbeveling 7: Creëer een apart compartiment voor culturele organisaties, waarin 100 bestuursbeursmaanden beschikbaar worden gesteld, dit om een groei van het aantal culturele organisaties te stimuleren.

3 De SOG is van mening, dat het voorbarig is om nu al uit te gaan van de fusie. Daarom stelt de SOG voor om deze pas te laten opnemen in de regeling wanneer Bragi en Mira echt zijn gefuseerd.

Overige organisaties

Onder dit compartiment horen verschillende soorten organisaties. De SOG acht het mogelijk om deze organisaties samen te beoordelen door ze onder te verdelen in kleine, middel en grote organisaties, met daaraan verbonden het aantal van 10, 15 of 20 bestuursbeursmaanden. Het aantal beursmaanden zal afhankelijk moeten worden gemaakt van het aantal leden van de vereniging en/of deelnemers bij activiteiten. Daarnaast zal ook de frequentie van het aantal activiteiten bij moeten dragen aan de beoordeling van de organisatie.

Dan zijn er nog een drietal organisaties waar de SOG nog in het bijzonder een advies over uit zou willen brengen. Als eerste, wil de SOG ten aanzien van de SIB adviseren om deze vereniging, gezien zijn vorm en inhoud, onder te brengen bij het compartiment gezelligheidsverenigingen. De SIB deelt het pand met de NSG, welke zij op verenigingsavonden zelf exploiteert, tevens heeft SIB meer dan 300 leden. Het aantal bestuursbeursmaanden zal voor SIB dus gelijk blijven. Daarnaast wil de SOG over Integrand en AIESEC het volgende opmerken: beide organisaties zijn er op gericht om studenten de mogelijkheid te bieden zich naast hun studie te kunnen ontplooien of kennis te laten maken met het bedrijfsleven. De SOG erkent dat mogelijk in de toekomst deze organisaties onder gebracht zullen worden bij de Career Services. Nu deze echter nog niet operationeel is, vindt de SOG het te voorbarig om deze besturen nu al de bestuursbeursmaanden te ontnemen.

Aanbeveling 8: De SOG adviseert het College van Bestuur om de SIB vanuit het compartiment overige verenigingen te verplaatsen naar het compartiment gezelligheidsverenigingen, dit vanwege de vorm en inhoud van deze vereniging.

Aanbeveling 9: Zolang de ‘University of Groningen Career Services’ nog niet up en running zijn, vindt de SOG het onwenselijk om Integrand en AEISEC uit het profileringsfonds te halen.

5 SIB: SOG adviseert om SIB onder te brengen bij gezelligheidsverenigingen

Relatie nieuwe profileringsfondsregeling en Career Services

Al een geruime tijd wordt er gesproken over het oprichten van een ‘University of Groningen Career Services’, waar studenten in alle fases, van studiekiezer tot en met alumnus, worden begeleid in hun carrière. Nu zal de SOG zich in deze notitie niet uitlaten over het doel van de Career Services, maar zich meer richten op de gevolgen die de Career Services zullen hebben voor enkele organisaties.

Te beginnen bij de overige organisaties, Integrand en AIESEC. Het College van Bestuur heeft reeds aangegeven dat de taken van deze organisaties zullen gaan vallen onder de paraplu van de Career Services, wat in beginsel een logische keuze lijkt. Waar de SOG echter voor vreest is dat niet alleen de organisaties onder de paraplu zullen vallen, maar ook dat zij daardoor haar taken en karakter zal verliezen. In het huidig bestel zijn deze organisaties er vóór en dóór studenten en juist dat maakt deze organisaties zo waardevol. Inmenging van de Universiteit bij deze organisaties zal de onafhankelijk van deze organisaties niet ten goede komen.

Daarnaast zal de aanwezigheid van de Career Services ook negatieve gevolgen hebben voor de gezelligheidsvereniging. Deze verenigingen organiseren jaarlijks of zelfs meerdere malen per jaar evenementen waar studenten in contact worden gebracht met het bedrijfsleven, voorbeelden hiervan zijn carrièredagen of recruiment diners. De kracht van deze verenigingen is veelal het onderhouden van sterke banden met hun oud-leden.

Echter de grootst klap zal mogelijk vallen bij de studieverenigingen. Zij zien het veelal als hun taak om studenten activiteiten aan te bieden die een blik bieden op een toekomstige loopbaan. Deze activiteiten variëren van carrièredagen tot bezoekjes aan mogelijke werkgevers. Dit zijn veelal nationale bedrijven, maar bij internationale studies zijn er ook contacten met internationale werkgevers.

Verder blijkt uit het rapport ‘University of Groningen Career Services’ dat de werkgroep Career Services de waarde van de studie- en studentenverenigingen erkent en stelt dat samenwerking zal leiden tot synergie. Hier plaatst de SOG vraagtekens bij. Studie- en studentenverenigingen hebben in de loop der jaren een goede band opgebouwd met bedrijven die veelal specifiek kiezen voor relaties met deze verenigingen. In plaats van deze taak deels weg te nemen bij deze verenigingen, lijkt het de SOG beter om verenigingen er meer te wijzen dat zij zich bezig houden met arbeidsoriëntatie. Wanneer blijkt dat de Career Services goed functioneren zal mogelijk gekeken kunnen worden naar de gevolgen hiervan voor verenigingen. Met het oog op de discussie omtrent de nieuwe profileringsfondsregeling zou de SOG daarom ook graag eerst willen zien dat de Career Services goed zal functioneren voordat men veronderstelt dat de werklast van bestuurders bij studieverenigingen lichter zal worden of besluit om organisaties als Integrand en AIESEC volledig buiten de profileringsfonds regeling te houden.

Conclusie

In deze notitie heeft de SOG fractie enkele aanbevelingen gedaan, zoals verruiming van het aantal bestuursbeursmaanden voor de compartimenten sportverenigingen en culturele verenigingen en het advies om de verdeling van het aantal maanden voor studieverenigingen op centraal niveau te blijven regelen.
Hieronder treft u nog een lijst van al onze aanbevelingen:

  • Verruiming van de compartimenten sportverenigingen en culturele organisaties.
  • Hanteer een vast maandbedrag, dit om een onevenredige verdeling te voorkomen.
  • Haal de studentadviseurs van de faculteitsbesturen en het CUOS uit het compartiment medezeggenschap en laat ze in loondienst werken van de faculteit dan wel de RUG.
  • Houd bij de vaststelling van de verdeelsleutel voor gezelligheidsverenigingen rekening met de toename van het aantal leden en de daarbij gepaard gaande bestuurslast.
  • Blijf de verdeling van bestuursbeursmaanden voor studieverenigingen centraal regelen.
  • Indien er toch wordt gekozen voor decentralisatie van de verdeling van bestuursmaanden voor studieverenigingen, stel dan op centraal niveau basiscriteria vast waar faculteitsbesturen zich aan moeten gaan houden.
  • Creëer een apart compartiment voor culturele organisaties, waarin 100 bestuursbeursmaanden beschikbaar worden gesteld, dit om een groei van het aantal culturele organisaties te stimuleren.
  • De SOG adviseert het College van Bestuur om de SIB vanuit het compartiment overige verenigingen te verplaatsen naar het compartiment gezelligheidsverenigingen, dit vanwege de vorm en inhoud van deze vereniging.
  • Zolang de ‘University of Groningen Career Services’ nog niet up en running zijn, vindt de SOG het onwenselijk om Integrand en AEISEC uit het profileringsfonds te halen.

De SOG fractie hoopt op deze wijze op een proactieve manier bij te kunnen dragen aan het besluitvormingsproces omtrent de nieuwe profileringsfondsregeling.

Voor de tweede keer organiseert de fractie van SOG het Groot Overleg Studentenfracties ofwel de GOS-dag voor leden van de faculteitsraad en de adviserende student-leden van de faculteitsbesturen. Deze dag staat in het teken van de onderwijsstrategie van de universiteit. De rector magnificus, prof. dr. Elmer Sterken, is te gast voor een toelichting en de mogelijkheid tot stellen van vragen. Naar aanleiding hiervan wordt er over de onderwijsstrategie gediscussieerd. Waarbij de onderwijsstrategie van verschillende kanten benaderd wordt door FR’ers, FB’ers en de SOG-fractie.

Aansluitend zal er overleg zijn over lopende zaken op universiteit en de faculteiten, zoals internationalisering, BSA, harde knip

Datum: 4 november 2011

Tijd: 12.30-14.30

Locatie: Grote Vergaderzaal, Bestuursgebouw, Oude Boteringestraat 44


Langstudeerdersboete met een jaar uitgesteld!

Met dit nieuws werd studerend Nederland de afgelopen week enorm verrast. De landelijke organisaties (ISO, LSvB en LKvV) en oppositiepartijen hopen dat er van uitstel afstel zal komen; geen langstudeerdersboete meer. De SOG is zeer blij met deze ontwikkelingen.

De Ministerie voor Onderwijs Cultuur en Wetenschap (OCW) belooft echter volgend jaar het bezuinigingspakket op het hoger onderwijs door te zetten.

Wat betekent dit voor de de RUG en RUG-studenten?  Voor de studenten geeft dit in elk geval een jaar extra om zich voor te bereiden op de boete. Helaas zullen er alsnog studenten zijn boven wiens hoofd de bijl van de langstudeerdersboete blijft hangen en de SOG betreurt daarom ook dat OC&W nog steeds niet voornemens is deze maatregel cohortsgewijs in te voeren.

Voor de RUG als instelling leidt dit tot uitstel van de voorgenomen bezuinigingen. Volgens de SOG moet de RUG deze tijd benutten om hier voorbereidingen te treffen voor de bezuinigingen. Voor de te nemen maatregelen aan onze instelling is nu de ruimte om ze geleidelijk in te voeren in plaats van ad hoc. De SOG zal daarom de discussie omtrent het bezuinigen op het Profileringsfonds bij uitstek in dit licht te bekijken.

De SOG vreest verder dat dit positief bericht een negatieve keerzijde heeft. Naar verwachting zullen minder studenten onder de boeteregeling vallen waardoor de Overheid minder geld zal ontvangen dan zij hadden inbegroot. Dit verschil kan ten laste bij de instellingen worden gelegd, wat zou betekenen dat kwaliteit van onderwijs en onderzoek onder nog meer druk zal komen te staan.

Laten we hopen dat er inderdaad van uitstel afstel zal komen!

 

De brief van de Staatssecretaris is te lezen op

http://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/dossiers/studiefinanciering.jsp#0

SOG-fractie 2010-2011

 

 

© 2012 Studenten Organisatie Groningen Suffusion theme by Sayontan Sinha